Nieuwe richtlijn bezoldiging bestuurders samenwerkingsverbanden: een andere kijk op bestuurlijke complexiteit

Nieuwe richtlijn bezoldiging bestuurders samenwerkingsverbanden: een andere kijk op bestuurlijke complexiteit

24-09-2026 12:25

VTO3 heeft in juli 2026 de nieuwe Richtlijn bezoldiging bestuurders samenwerkingsverbanden passend onderwijs gepubliceerd. De richtlijn is relevant voor statutair bestuurders van samenwerkingsverbanden passend onderwijs die onder de CAO Bestuurders Funderend Onderwijs vallen. Voor deze groep ontstaat daarmee een afzonderlijk kader voor het bepalen van de bezoldiging.

Dat is een relevante ontwikkeling. De positie van ‘bestuurder van een samenwerkingsverband’ laat zich namelijk niet goed vergelijken met die van ‘bestuurder van een onderwijsorganisatie met scholen’. De bestuurlijke verantwoordelijkheid wordt mede bepaald door de specifieke context waarin een samenwerkingsverband opereert.

Waarom was een afzonderlijke richtlijn nodig?

Voor bestuurders in het funderend onderwijs sluit het loongebouw één op één aan bij de WNT-klassenindeling die voor het onderwijs is opgenomen in de beleidsregels WNT. Voor die inschaling worden drie criteria gebruikt:

  • de totale baten van de rechtspersoon;
  • het aantal bekostigde leerlingen;
  • het gewogen aantal onderwijssoorten.

Voor bestuurders van samenwerkingsverbanden die onder de CAO Bestuurders Funderend Onderwijs vallen, levert dat een probleem op. In die cao is expliciet opgenomen dat cao-partijen van mening zijn dat deze bestuurders niet op basis van de reguliere WNT-criteria voor bestuurders in het funderend onderwijs kunnen worden ingeschaald.

Een samenwerkingsverband kent immers een andere bestuurlijke werkelijkheid. Het heeft geen eigen leerlingenpopulatie zoals een schoolbestuur die heeft en opereert in een netwerk van aangesloten schoolbesturen, scholen, gemeenten en andere partners. De omvang en complexiteit van die bestuurlijke opdracht laten zich daardoor niet vanzelfsprekend vangen in de reguliere criteria voor onderwijsorganisaties.

Een nieuwe systematiek

De nieuwe richtlijn is gebaseerd op onderzoeken en adviesrapporten van Berenschot. Bij de toepassing wordt gekeken naar kenmerken die beter aansluiten bij de context van samenwerkingsverbanden. Die zijn in de richtlijn opgenomen. De indicatoren zijn:

  1. aantal leerlingen binnen het samenwerkingsverband en de baten van het samenwerkingsverband;
  2. aantal gemeenten binnen het samenwerkingsverband en aantal inwoners van die gemeenten;
  3. dichtheid van de omgeving;
  4. aantal medewerkers waaraan door de bestuurder leiding wordt gegeven.

Hierbij geldt, in afwijking van de regeling voor de schoolbesturen niet dat als peildatum geldt ‘1 oktober van het tweede jaar voorafgaande aan het moment waarop de indeling betrekking heeft’, maar ‘1 januari van het eerste jaar voorafgaande aan het moment waarop de indeling betrekking heeft’.

De informatie hierboven bedoeld onder 2 en onder 3 is geregistreerd bij het CBS en vrij toegankelijk.

De richtlijn geldt zowel voor samenwerkingsverbanden in het PO als die in het VO. VTO3 constateert dat er wel verschillen zijn. Samenwerkingsverbanden in het PO hebben vaak meer leerlingen dan die in het VO, maar zijn de baten van samenwerkingsverbanden in het VO vaak hoger dan die in het PO. In de systematiek van de richtlijn is geprobeerd die met elkaar in balans te houden, zodat er geen wezenlijke verschillen optreden tussen het PO en het VO.

Toepassing van elk van deze criteria leidt tot een aantal ‘complexiteitspunten’. En ook hier leidt het aantal complexiteitspunten, in relatie tot aantal gemeenten/aantal leerlingen (criterium 1) tot een range waartussen een beloning kan worden afgesproken.

Geen nieuwe WNT-regeling

Een belangrijk onderscheid is dat de VTO3-richtlijn geen vervanging van de WNT is. De toepasselijke WNT-norm blijft het wettelijke kader waarbinnen de bezoldiging plaatsvindt. De nieuwe richtlijn biedt een kader voor de vraag welke bezoldiging, gegeven de aard en complexiteit van het betreffende samenwerkingsverband, passend wordt geacht.

Voor een Raad van Toezicht zijn dat dus twee afzonderlijke vragen: welke wettelijke begrenzing geldt én welke bezoldiging is binnen de toepasselijke kaders passend en uitlegbaar?

‘Pas toe of leg uit’

De richtlijn heeft een bijzondere status. VTO3 en de werknemerspartijen bereikten eerder geen overeenstemming over een gezamenlijke regeling. VTO3 heeft vervolgens, na raadpleging van haar achterban, zelfstandig deze richtlijn vastgesteld. Daarbij geldt het principe ‘pas toe of leg uit’.

De richtlijn is bedoeld als uitgangspunt voor nieuwe en verlengde dienstverbanden. Bij bestaande arbeidsovereenkomsten kan zij eveneens worden gebruikt wanneer werkgever en bestuurder gezamenlijk nieuwe afspraken maken. Dat betekent ook dat een Raad van Toezicht een belangrijke verantwoordelijkheid houdt. Het toepassen van een berekeningsmethodiek ontslaat de toezichthouder niet van de verplichting om de gemaakte keuze inhoudelijk te kunnen onderbouwen.

Discussie is nog niet afgerond

De publicatie van de richtlijn betekent niet dat er inmiddels volledige overeenstemming bestaat over de systematiek. De Vereniging voor Onderwijsbestuurders heeft onder meer gewezen op discussie over het aantal schalen, de schaalbedragen en het criterium leidinggeven aan medewerkers. VTO3 heeft de huidige richtlijn dan ook nadrukkelijk als een eerste stap gepresenteerd.

In het najaar van 2026 wil VTO3 de eerste ervaringen met de toepassing evalueren. Ook bestaat het voornemen om opnieuw met werknemerspartijen in gesprek te gaan met het streven om te komen tot een gezamenlijke bezoldigingsregeling.

Wat betekent dit voor Raden van Toezicht?

Voor Raden van Toezicht van samenwerkingsverbanden met een bestuurder die onder de CAO Bestuurders Funderend Onderwijs valt, is dit een logisch moment om het bestaande remuneratiebeleid tegen het licht te houden. Bij een nieuw of te verlengen dienstverband zal moeten worden beoordeeld of en zo ja hoe de nieuwe richtlijn wordt toegepast. Daarbij is niet alleen de uitkomst van belang. Juist de onderbouwing van de gemaakte keuzes verdient aandacht.

Dat betekent onder andere dat de relevante kenmerken van het samenwerkingsverband zorgvuldig moeten worden vastgesteld, de uitkomst van de methodiek controleerbaar moet zijn en duidelijk moet worden vastgelegd hoe de Raad van Toezicht tot de uiteindelijke bezoldiging is gekomen.

GOC Consultants ondersteunt samenwerkingsverbanden en Raden van Toezicht bij vraagstukken rondom het toepassen van de nieuwe richtlijn en bij vraagstukken rondom functie-inrichting, functiewaardering en beloning. Een zorgvuldige analyse van functie, context en bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt bij aan een transparante en uitlegbare uitkomst.